Over ballen, zingende moeders en zuipende vaders

Vanavond staat er bij ons gewone, Hollandse pot op het menu. Echte ouderwetse gehaktballen, rodekool, stoofpeertjes, spinazie en aardappelen. “ Echt?”, vroeg mijn zoon nog eens, toen hij nieuwsgierig informeerde naar wat er de dis ons brengen zou. “Niet van die kleine platte dingen, maar van die echte ballen?” Ja, inderdaad, van die echte, grote gehaktballen. 

“Lekker”, zegt ook mijn moeder, die vanavond mee eet. “Doet me denken aan vroeger. Toen werd er eigenlijk best veel brood door het gehakt heen gedaan, want vlees was natuurlijk hartstikke duur. Was nog een kunst, hoor, om dan toch een lekkere gehaktbal te draaien”. Het aanrecht wordt voor de zoveelste keer schoongeveegd (want dan blijft het mooi netjes) en dan stort ze zich dan op het schillen van de aardappelen. 
Ze zet zich op de tweezitter in de huiskamer, een handdoek op de grond tegen het opspattende water voor als de ze geschilde piepers laat plonzen en een schort voor omdat ze bang is dat haar nieuwe trui, gekregen voor Sinterklaas, anders vies zal worden. 
Het is een vredig tafereel. Buiten valt de schemering in en wordt het snijdend koud. Binnen brandt de kerstboomverlichting en is het behaaglijk warm. 
Terwijl ik in de keuken de ballen aanbraad, hoor ik ineens een aarzelend zacht gezang: 

Een meisje van even acht jaar, met heerlijk onschuldig gelaat
Stond iedere dag voor het raam, en keek naar de kind’ren op straat
Dan volgden haar ogen de bal, bij ‘t spel, in beweging gebracht
Zij hunkerde naar zo’n bezit, en iedere keer zei ze zacht

Ik ken het lied. Mijn oma’s, zowel van vaders als moederskant, zongen het vroeger ook uit volle borst, compleet met dramatische snik er doorheen gewoven. Onwillekeurig neurie ik mee.

 Moesje, toe geef me een speelbal, al is ze ook nog maar zo klein
Daar kan ik dan heerlijk mee spelen, ik zal er heus zuinig op zijn

Mijn zoon stormt de keuken binnen, snaait hier en daar wat uit de kokende en bradende inhoud van diverse pannen en meldt dat hij reuze trek heeft.
Intussen zingt mijn moeder onverdroten door, met steeds vastere stem en beter verstaanbaar. Ik meen zelfs de dramatisch snik te bespeuren.  

Haar moedertje kon op den duur, het smeken niet langer weerstaan
En is op een zonnige dag, met haar naar een winkel gegaan
Hoe licht viel haar offer toen zij, de vreugd’ van haar lieveling zag
Het kind hield de bal stijf omkneld, en zei met gelukkige lach

 “Hee mam, zijn ze al gaar? Zal ik ze even testen? Misschien zijn ze nog niet goed, maar dan bespaar ik jou in ieder geval buikpijn”. Grinnikend duikt mijn zoon opzij als ik ‘m met de theedoek de keuken probeer uit te jagen.

Uit de huiskamer stromen de klanken over speelballen en lieve kleine meisjes nu helder en duidelijk onze richting uit. Ik laat me gaan en brul uit volle borst mee. Lekker hoor, zo ongegeneerd meegalmen met een echte ouderwetse smartlap. Het mooie is, zelf heb je al gauw stiekem het idee dat het ergens naar klinkt. Ik tenminste wel:“Hmm, klinkt niet gek! Zou ik misschien toch eens zanglessen moeten nemen?” Gelukkig voor mij en voor mijn omgeving wordt ik altijd snel door een of andere medehuisgenoot weer met beide beentjes op de grond gepoot.

 Moesje, nu heb ik een speelbal, al is ze ook nog maar zo klein
Daar kan ik nu heerlijk mee spelen, ik zal er heus zuinig op zijn
Wat was ze gelukkig en blij

Zoonlief loopt heen en weer met placemats en andere zaken die nodig zijn om de tafel te dekken. Ineens zie ik zijn wenkbrauwen verbijsterd omhoog schieten. Hij staat stil en luistert:

 Maar ‘t noodlot komt steeds onverwacht, want juist door haar spel met de bal
Viel zij in een donkere gracht, men bracht haar als engeltje thuis
De bal nog geklemd in haar hand, en moesje gebroken door smart
Zei zacht, door verdriet overmand, Zusje, hier is nu je speelbal
Je grote bezit van weleer, nu kan je er heerlijk mee spelen
Daarboven bij Ons’ Lieve Heeheeheer….

 “Nou, vrolijke boel, zeg, sjonge jonge..”

 Opgewekt meldt mijn moeder dat dit nu echt zo’n oud-Hollands versje is. Vroeger bij haar thuis zongen ze ook heel vaak; zo gezellig! Om vervolgens haar huis-tuin-en-keukenoptreden uitbundig te vervolgen met het immer opwekkende en altijd vrolijke “Acht vaderlief, toe drink niet meer”:

Moeder zit stil bij ‘t fornuis, aan ‘t raam staat verdrietig haar kind
Want nog steeds is vader niet thuis, omdat hij ‘t weekloon verdrinkt
Dan rent plots ‘t kind door de kou, en hoort in ‘n kroeg vaders stem
‘t Pakt hem bedeesd bij z’n mouw, en vraagt dan met bevende stem:

En vrolijk blèr ik weer mee:

Ach vaaaderlihief, toe drink niet meer
Ik vroeg ‘t al zo menige keer
Want moesje lief huilt telkens weer
Ach vaderlief, toe drihihink niet meer

Aangezien ik alleen het refrein ken, houd ik m’n klep weer en luister naar de rest van dit treurige lied:

De man stoot het kind van zich af, dat valt met een smak op de grond
Dan ziet hij vol schrik, tot zijn straf, ‘t hoofdje is bloedend verwond
Vol schaamte brengt hij dan zijn kind, terug naar zijn huis en zijn vrouw
Terwijl ze ‘t hoofdje verbindt,  zegt vader vol innig berouw:

En, zie, eind goed, al goed. De vader lijkt in een klap, helaas niet op het eigen hoofd, van z’n drankprobleem af. Dus we kunnen rustig verder zingen. Hup, daar gaan we weer:

Je vaderlihihief, die drinkt niet meer
Je vroeg ‘t al zo menige keer
Dus moesjelief, kom huil niet meer
Want vaderlief, die drihihihinkt niet meer.

Inderdaad, toch wel gezellig.  En nu aan tafel. Balletje d’r bij, wijntje d’r bij…

Geef een reactie

Opgeslagen onder Geen categorie

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s