Het weer zit mee en ogenknipperend tegen het zonlicht verlaten we de donkere krochten van de parkeergarage. Een zonnig Stadhuisplein straalt ons tegemoet. Al snel staan we op de plek waar vroeger de haven was. Het plein dat er voor in de plaats is gekomen, blijkt een armoedig aftreksel van een ooit pittoresk en levendig stadsbeeld. Jammer, vindt ook mijn moeder. Hoewel, nuanceert ze gelijk, dat er geen pruimtabakspuwende en spiritusdrinkende kerels meer rondhangen, is wel een vooruitgang.
“Kijk, daar zit de ijssalon van Talamini”, zegt mijn moeder, “daar heb ik zulke fijne herinneringen aan. De zoon van de eigenaar werd Pietje genoemd, maar dat was vast niet zijn echte naam. Ik kan me tenminste niet voorstellen dat een Italiaan Pietje heet. Soms duwden mijn broers me wat geld in m’n handen voor een ijsje. Helemaal blij ging ik dan op een holletje hier naar toe en dan bleek dat ze me voor de gek hadden gehouden en te weinig geld hadden meegegeven. Stond ik daar als klein kind mijn teleurstelling te verbijten. Maar Pietje glimlachte dan en liet me nooit met lege handen weggaan”.
Op ons gemak kuieren we over de zaterdagse markt, richting Grotestraat. Ooit, heb ik gelezen, de langste winkelstraat van Nederland, langer dan de Kalverstraat in Amsterdam. Twee bioscopen rijk. In een ervan zit nu een budgetvriendelijke schoenenwinkel, maar met een beetje fantasie herken je de vroegere grandeur van het pand. Van Hotel de Gouden Leeuw, waar mijn moeder zich als kind vergaapte aan de deftige en rijke clientèle, is nu een luxe appartementencomplex gemaakt. “Te koop, luxe en riante appartementen in historisch pand” kopt een bord aan de gevel.
We wandelen door naar het Kerkplein. Hier is ze geboren, mijn moeder. Op 14 mei 1940. “De dag dat Rotterdam werd gebombardeerd”, zegt ze. “Mijn broers vertelden me dat ik een moffenkind was, met de Duitse bommen meegekomen. Huilend rende ik dan naar mijn moeder die me troostte”.
Ik zeg niets, maar denk het mijne van dat soort “plagerijtjes”.
Mijn moeder. Ze was de jongste in een gezin van acht kinderen. Eigenlijk negen, maar het eerste kind, een jongetje, overleed toen hij een jaar oud was. “Je oma had het er vaak over. Het broertje dat dood is, zei ze dan. Pas veel later heb ik me gerealiseerd hoe ze moet hebben geleden”.
We staan op de plek waar haar geboortehuis heeft gestaan. Een klein huisje voor een gezin van meer dan tien personen. Beneden speelde het leven van overdag zich af. Boven had mijn opa de ruimte creatief opgedeeld in slaapkoven door tussenschotten te plaatsen. “In de eerste koof lagen je opa en oma in een tweepersoonsbed, daarna de jongens per twee en daarna mijn zus en ik”, vertelt mijn moeder. “Zaten er geen deuren voor?” vraag ik. “Of misschien gordijnen?” “Nee, alleen die tussenschotten stonden er. Je hoorde elkaar ademen, privacy was er niet. Maar ach, als klein kind denk je daar helemaal niet bij na; het was zoals het was” .
Uit verhalen en van foto’s weet ik dat mijn opa hier vroeger een rijwielbewaarplaats uitbaatte, ook nog jaren nadat het gezin verhuisd was naar een ruimere woning aan de Schelfhorstweg. “Iedereen in het gezin hielp mee. Vooral als de bioscopen uitgingen, was het flink aanpakken geblazen. De klanten mochten niet zelf hun fietsen in de rekken zetten of ze er weer uit halen, dat deden wij. Heel anders dan hoe het tegenwoordig toegaat in fietsenstallingen”, zegt mijn moeder. Er lijkt een lichte afkeuring in haar stem door te klinken. 
We brengen een bezoekje aan het Wevershuisje, een museumpje gehuisvest in de laatste stadsboerderij van Almelo. De beheerders blijken vriendelijke mensen, vol verhalen over het Almelo van toen. De gesprekken komen moeiteloos op gang en mijn moeders hersenen gymnastieken heen en weer tussen heden en verleden. Namen als Niphuis, Hilarius, Koedijk poppen op als stuiterballen in enthousiast spelende kinderhanden, herinneringen en anekdotes worden opgehaald.
En ik? Ik installeer me met een kop koffie en mijmer weg. Het leven is goed, op zo’n mooie dag in Almelo.
Omroep Almelo, 25 mei 2011
IJsmeester Piet Talamini krijgt de Roos van de Maand mei van de PvdA Almelo. Jaap Stapel overhandigde woensdag de roos aan de zoon van oprichter Vittore. Talamini is een niet meer weg te denken naam in Almelo. Er zijn mensen die er speciaal voor naar Almelo komen. Woensdag 25 mei is Piet Talamini te gast in het radioprogramma De Roos.
Vittore Talamini begon deze maand zeventig jaar geleden met de zaak. Op het moment dat hij zich met zijn gezin in Almelo vestigde was Piet zeven jaar. Piet vormde voor de huidige generatie jarenlang het gezicht van de ijszaak. Thans wordt het bedrijf gerund door zijn zoon Giancarlo, die al weer achttien jaar in de zaak staat.




Je moeder is een fantastische vrouw en voor mij een geweldige lieve tante. Helaas is ons beider ouders geboortehuisje een paar jaar geleden afgebroken. Ik heb het nog van binnen kunnen bekijken. Het was niet klein, maar wel heel erg klein. Veel te klein, zelfs voor een stel zonder kinderen. Dan te bedenken dat in het gebouw ook nog een sigarenboer gevestigd was.
De Grotestraat is inderdaad een lange winkelstraat geweest die zich nog verder uitstrekte door de aansluiting met de Ootmarsumsestraat (al een oude handelsweg in de vroege Middeleeuwen), de Veemarkt en in beide richtingen de Bornerbroeksestraat en de Bornsestraat. Ook de Tuinstraat was een uitbreiding van hetzelfde winkelgebied. Kalverstraat moet in die tijd een lachertje zijn geweest. Het gebouw van voormalig Hotel de Gouden Leeuw laat nog een vleugje van de oude glorie van destijds herleven.
Ik vind dat je op een bijzonder knappe manier het oude Almelo laat herleven door de, helaas al wat oudere, ogen van je moeder…
Geweldig,
Je neef(-je).