Met knorrende maag stap ik de Turkse winkel binnen. Ik heb een onbedwingbare trek in een lahmacun, ook wel bekend als de Turkse pizza. Onlangs lag er een reclamefolder van deze zaak op onze deurmat en die zag er uitnodigend genoeg uit om eens langs te gaan.
Een goedlachse besnorde Turk staat achter de toonbank en maakt een praatje met een Nederlandse buurtbewoner die, zo blijkt uit de conversatie, net zijn baan kwijt is. “Maakt niet uit, ik ga solliciteren en misschien ben ik volgende week wel weer aan het werk”, zo klinkt het optimistisch. Er wordt nog even wat heen en weer gebabbeld en de man loopt de winkel uit, happend in een broodje döner en begeleid door de nodige succeswensen van de winkelier.
Vriendelijk vraagt de snor waarmee hij mij van dienst kan zijn. “Een lahmacun, graag”. De wenkbrauwen van de winkelier vliegen de hoogte in: “Jij zegt goed! Hoe kan dat? Meeste Hollanders zeggen laagmaasjun, maar meestal zeggen gewoon pizza. Jij vakaansie Turkije gewees?” Ik glimlach en vertel dat mijn man Turks is en dat ik al jaren in Turkije kom. De nieuwsgierigheid is gewekt.
Hoe heet mijn man? Met een frons in zijn voorhoofd laat de snor in gedachten alle hem bekende Turken de revue passeren. Nee, er gaat geen belletje rinkelen. Of mijn man in Nederland woont? Huh? O ja, dat kan natuurlijk ook nog, een soort van exotische latrelatie waarbij je elkaar alleen maar ziet tijdens de zomervakanties. Maar nee, wij latten niet en mijn man woont gewoon in Nederland. Misschien wel saai, maar wij wonen zelfs in hetzelfde huis.
Of ik Turks spreek. Ookal spreek en versta ik redelijk Turks, ik durf dat nog altijd niet zo hardop te zeggen. Met gepaste bescheidenheid meld ik dat mijn Turks niet zo goed is als je misschien zou verwachten, maar dat ik een beetje Turks spreek: “Biraz Turkce konusiyorum”. De man negeert het eerste deel van mijn mededeling en schakelt enthousiast over op zijn moedertaal. Van de weeromstuit antwoord ik ook in het Turks. Waar komt mijn man vandaan? Konya misschien? Nee, Karadenizden geliyor, hij komt uit het Zwarte Zeegebied. Hee, daar komt hij ook vandaan. Komt mijn man misschien uit Trabzon? Hayir, Bartinden geliyor, nee, hij komt uit de omgeving van Bartin. Dan, ineens valt het kwartje. “Aha, bizim Mehmet! Onze Mehmet! Broer van Fatma, Ayse, Atilla, die toch?” De Zwarte Zee als gezamenlijk herkomstgebied blijkt bijna net zo’n bindende factor als een familieband, vandaar de opgetogen reactie.
“Doe ze de allemaal de groetjes van mij, oke? Zeg maar vorige eigenaar van winkel achter de moskee, Selim. En die lahmacun? Die krijg je van mij…Güle güle, tot ziens”. Ik aarzel en zeg dan ook tot ziens, op z’n Nederlands. Voor de gebruikelijke wedergroet, het tongbrekende Allahasmarladik, heb ik toch een iets langere voorbereidingstijd nodig.
